LEESTIP. ‘Later wil ik mama worden’, over het verlangen naar een kind

Veel koppels koesteren een kinderwens, ook Sofie en haar man. Maar wat als dat niet lukt en zelfs de wetenschap faalt om je dat te geven wat je zo graag wil?

Sofie Van den Broeck had één grote droom: mama worden. De weg naar die droom was lang en hard. In ‘Later wil ik mama worden’ vertelt ze op een aangrijpende manier over haar stapeltjesverdriet: de uitputtingsslag van een meer dan tien jaar durende kinderwens.

later wil ik mama worden

In het boek vertelt Sofie Van den Broeck over de moeilijke weg die ze aflegde, en hoe ze constant geconfronteerd werd met een stil verdriet in de drukte van alledag, tussen bolle buiken en kinderverhalen van anderen. Altijd maar doorgaan, moedig slikken, spuiten, meten en vooral hopen dat het ooit zou lukken.

Uiteindelijk koos Sofie voor adoptie, een nieuwe droom, een droom die wél werkelijkheid werd. Sofie adopteerde twee prachtige kinderen, maar zou nooit haar eigen kindje dragen. Ze is mama van een jongen en een meisje die gegroeid zijn in haar hart, maar niet in haar buik.

Hoewel haar kinderen alles voor haar betekenen, hield haar verdriet haar toch jaren in zijn greep. In ‘Later wil ik mama worden’ verbreekt Sofie Van den Broeck het taboe rond het schaduwverdriet dat velen voelen, maar niet durven uiten. Nu haar gezin compleet en het nest veilig is, vond ze de kracht om terug te gaan en de deur te openen waar al die stukjes verdriet waren opgestapeld, en om die stukjes verdriet te delen met anderen.

Een fragment uit ‘Later wil ik mama worden’

Als ik mijn ogen sluit, zie ik herkenningspunten langs de weg naar Leuven en komt zelfs de emotie van toen terug. De afrit nemen, die grote bocht door met een buik vol angst. ‘Ik moet positief zijn, hoopvol. Het gaat lukken, het follikeltje was mooi, dus het komt goed.’ Parkeren, de trappen op en de overdekte gang door naar het ziekenhuis, de bloemenverkoper langs links. De koele hal in, naar links en de trappen af, de oranje route.

De fertiliteit zat in de kelder en er was geen daglicht. Rechts was de fertiliteit en verderop links moesten we het zaad afleveren. Er was geen verbinding met de rest van de wereld, zo leek het wel. Zo voelde ik me ook. Bang en eenzaam, hoewel we altijd met z’n tweetjes waren. Wat kan je elkaar influisteren als de wetenschap je lichaam dirigeert?

Eerst mochten we plaatsnemen in de gang. Het zat er vol mannen en vrouwen, sommigen zelfs met kinderen. Anderen met een bolle buik, want verderop was de praktijk van de gynaecoloog. Pijnlijk. We gingen naast elkaar zitten in stilte, af en toe raakte ik zijn hand aan. Waren al die mannen hier voor een staal? Het wachten leek eeuwig te duren, lezen lukte niet, er viel niets te vertellen in die gang waar je je eigen hart hoorde bonzen.

Het kamertje voor het afleveren van het spermastaal was kaal. Ik weet niet wat ik had verwacht, maar het was vreselijk. De eerste keer ging ik mee, daarna nooit meer. Er is niets gezelligs, romantisch of liefdevols aan. Ik herinner me een zetel, een paar boekjes en een doorgeefluik. De spanning was te snijden. Ik zat daar, hij zat daar. We maakten deel uit van de fabriek ‘we maken een baby’. Als je klaar bent, moet je je potje in het doorgeefluik zetten en laten weten dat het oké is. De opdracht volbracht! Het voelde niet goed, beschamend en pijnlijk.

Terwijl het zaad verwerkt werd, mochten we naar de fertiliteit. Weer wachten. Ik herinner me de desk in het midden; de wachtkamer clean, kil en stil. Ze werken aan onze droom. En mijn eileider staat op ontploffen.

Zodra het onze beurt is, mogen we mee naar een kleine kille en cleane behandelingsruimte. Ik mag me er uitkleden en plaatsnemen in de gynaecoloogstoel. Manlief houdt mijn hand vast. Voor de zoveelste keer lig ik met mijn benen open. ‘Zak goed onderuit en laat je benen losjes openvallen.’

Met een dunne katheter wordt het verwerkte sperma ingebracht in de baarmoeder. Op het scherm zien we een klein wolkje bewegen. Na een paar minuten is het klaar en mogen we de dag hervatten, de wereld in. Geen turnoefening hier, niet met de benen hoog in de lucht. Liefst was ik geruisloos blijven liggen, veilig in een bubbel. Nu leek de trappen op wandelen naar de parking een weg vol gevaren.

SORRY MEVROUW

De kans op een zwangerschap na een inseminatiebehandeling is ongeveer 7 tot 12 procent per cyclus.

Na twee angstige wachtweken vol dromen en hoop, mocht ik naar het ziekenhuis voor een bloedafname. Na de middag volgde een te- lefoontje van de vroedvrouw in Leuven: ‘Sorry mevrouw, het is niet gelukt deze keer.’ Haar stem warm en zacht, de boodschap ijskoud. De ontnuchtering was enorm.

De kerstdagen stonden voor de deur, ik voelde me leeg en mislukt. ‘Zullen we klinken?! Op nieuwe moed. Op naar poging twee.’

Mijn eerste inseminatie was een zware teleurstelling: ik vond het slopend, emotioneel en fysiek. De planning had voor het eerst ons leven overgenomen. We waren bang om iets verkeerds te doen, om een alarm te vergeten. De angst maakte zich meester van mijn lichaam en brein. Ik leefde met ingehouden adem.

Het jaar 2007 eindigde stil en verdrietig, met een klein lichtje van hoop naar de volgende poging.

 

‘Later wil ik mama worden’ verschijnt 8 april bij Borgerhoff & Lamberigts en kost 19,99 euro. Voor meer info: https://borgerhoff-lamberigts.be

Het beste van Minimi.be in je mailbox?

Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief.

Reageer op artikel:
LEESTIP. ‘Later wil ik mama worden’, over het verlangen naar een kind
Sluiten